Bible-Science.info

Bijbel en wetenschap

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Hoofdstuk 4. Het eerste begin

De Bijbel vertelt dat in het begin God alles heeft gemaakt. Dit noemen we de schepping. De evolutionisten zeggen dat het hele heelal door toeval is ontstaan. Hierbij wordt vaak de term 'oerknal' gebruikt. Laten we eens kijken wat er met die term bedoeld wordt.

De oerknal

De oerknal is het uitdijen van een singulariteit waaruit het heelal is ontstaan. Een singulariteit is, in dit verband, een oneindig dicht, klein en heet 'iets'. Wat dat 'iets' is, waar het vandaan komt en waarom het uit is gaan dijen weten we niet. Die singulariteit zou uit het niets verschenen moeten zijn.

Nu is er een natuurkundewet die we de "wet van behoud van energie en materie" noemen. Deze wet houdt in dat er alleen energie kan ontstaan als er materie wordt ingeleverd en andersom. Een singulariteit kan dus, wetenschappelijk gezien, niet vanuit het niets ontstaan.

Anti-materie

Is het misschien mogelijk dat uit niets materie en anti-materie is ontstaan? Materie + anti-materie = niets, dus is dat ook weer opgelost. Toch? Nee dus, want:

  • Het hoe of waarom uit niets ineens materie en anti-materie is ontstaan, kan niemand verklaren.

  • Er bestaat geen negatieve massa. De vergelijking "Materie + anti-materie = niets" klopt dus niet. Het moet zijn: "Materie + anti-materie = niets + heel veel energie". Massa kan alleen verdwijnen als er energie voor in de plaats komt, volgens Einsteins beroemde formule E=mc2. Dat is dus de "wet van behoud van energie en materie" waar we het net over hadden. Om materie en anti-materie te krijgen moeten we dus energie inleveren. Heel erg veel energie. Om 1 gram materie en 1 gram anti-materie te produceren is de verbrandingsenergie van dertigduizend(!) vaten ruwe olie nodig. Om een heel heelal te produceren is dus onnoemlijk veel energie nodig. Waar zou die energie vandaan moeten komen?

  • Anti-matierie is uiterst zeldzaam, terwijl er toch evenveel materie als anti-materie zou moeten bestaan. Bij alle experimenten waarbij energie wordt omgezet in materie onstaat evenveel materie als anti-materie.

    De een geeft als verklaring dat tijdens (of voor) de oerknal net iets meer materie dan anti-materie is ontstaan. Het overgrote deel van de anti-materie is met een evengroot deel materie weer energie geworden, zodat er nu veel meer materie dan anti-materie is.

    Anderen menen dat er ergens nog een heelal moet zijn dat uit anti-materie bestaat. Deze is echter nooit waargenomen.

Kwantumfluctuatie

Volgens de kwantummechanica geldt dat de onzekerheid in de hoeveelheid energie vermenigvuldigd met de onzekerheid in tijd groter moet zijn dan een zekere constante (de helft van de contante van Dirac ħ): ΔE × Δt >= ħ/2. Dit betekent dat gedurende korte tijd een een zekere hoeveelheid energie 'uit niets' kan ontstaan. We hebben net al gezien dat energie en massa uitwisselbaar zijn. Zo kan er dus, gedurende korte tijd, bijvoorbeeld een elektron en zijn antideeltje, een positron, ontstaan. Omdat ze gelijke lading hebben, trekken ze elkaar aan en bij contact vernietingen ze elkaar. Hierbij komt net zoveel energie vrij als het kostte om de deeltjes te laten ontstaan. Netto blijft de hoeveelheid energie dus gelijk en blijft de wet van behoud van energie gelden.

Hoe meer massa (en/of energie) er ontstaat, hoe korter de tijd dat dit kan blijven bestaan. Een heel heelal zou dus gedurende slechts zeer korte tijd kunnen blijven bestaan. Maar stel nu dat er iets zou gebeuren waardoor er positieve en negatieve energie ontstaat. En dan net zoveel positieve als negatieve energie. De totale hoeveelheid ontstane energie zou nul zijn, dus kan de tijd oneindig zijn. Het hele universum zou dan niet meer zijn dan een kwantumfluctuatie.

De straling die sterren uitzenden is positieve energie. En ook materie kan enkel uit positieve energie onstaan. Het zal duidelijk zijn dat ons heelal uit enorme hoeveelheden positieve energie bestaat. Maar om dit uit niets te kunnen laten ontstaan, moet er, zoals gezegd, evenveel negatieve energie zijn. Waar is die negatieve energie? Sommigen maken de fout door te zeggen dat de potentiële gravitatie-energie een geschikte kandidaat is. Deze is namelijk gedefinieerd als: E = -GMm/r. Hierin is G de gravitatieconstante, M de massa van het zware object, m de massa van het lichte object en r de afstand tussen beide objecten. G is positief en massa's en afstanden zijn natuurlijk ook altijd positief. Dankzij het minteken zal de energie dus altijd negatief zijn. Er zijn echter een paar problemen. Ten eerste kunnen we onmogelijk uitrekenen of deze negatieve energie en de reeds besproken positieve energie evengroot zijn. Daarvoor zijn er teveel onbekende variabelen. Het tweede en grootste probleem is de reden van het minteken in de formule. Potentiële energie is altijd ten opzichte van een willekeurig gekozen punt waar de potentiële energie nul wordt verondersteld. Voor de eenvoud van de formule is dit punt oneindig verweg gekozen. Hierdoor verschijnt het minteken. Hadden wetenschappers een ander punt gekozen, dan had de potentiële gravitatie-energie ook positief kunnen worden. Potentiële gravitatie-energie is dus geen oplossing voor het probleem. De grote vraag blijft dus: waar is alle negatieve energie?

Zwart gat

We stelden al de vraag waarom de singulariteit ging uitdijen. Het is veel waarschijnlijker dat het voor altijd een singulariteit zou blijven. Door zijn enorme zwaartekracht zou het alle materie (als die al zou bestaan) naar zich toetrekken die zou proberen te ontsnappen. Feitelijk zou het zich gedragen als een superzwart gat. Zwarte gaten zijn brokken materie die relatief klein zijn en toch heel zwaar. Men neemt zelfs aan dat de kern van een zwart gat een singulariteit is. Hierdoor hebben ze een dusdanig grote zwaartekracht dat ze zelfs al het licht naar zich toe trekken. Uit een zwart gat kan dus geen licht ontsnappen; vandaar de naam "zwart gat". Om materie uit een zwart gat te onttrekken is dus veel energie van buitenaf nodig. Hetzelfde geldt dus voor de singulariteit waaruit alles is ontstaan. Maar hier kan natuurlijk geen sprake zijn van 'energie van buitenaf'. Dus niet alleen het ontstaan van de singulariteit, maar ook de spontane uitdijing ervan, is wetenschappelijk gezien onmogelijk. En alle gebeurtenissen die wetenschappelijk gezien onmogelijk zijn, noemen we wonderen.

Is de schepping dan geen wonder? Zeker wel, en er zal ook geen creationist zijn die anders beweert. Daarom wilden vele wetenschappers ook van die schepping af. De tweede (misschien nog wel belangrijkere) reden is dat als er een schepping is, er ook een Schepper moet zijn. En als er een Schepper is, is Hij de baas en stelt Hij de regels vast. Zonder Schepper kan men zelf bepalen wat wel en niet mag. De evolutietheorie gaf men die vrijheid. Toen de theorie werd bedacht klonk het zo aantrekkelijk, dan men 't met beide handen heeft aangenomen. Nu ze de vrijheid ervan hebben geproefd, willen velen nooit meer terug. En hoe onwaarschijnlijker de evolutietheorie ook wordt (en hoe aannemelijker de Bijbelverhalen ook worden), men bedenkt liever nog meer theorieën om de evolutie heen, dan dat men de schepping accepteert.

Donkere Energie

Het heelal blijkt uit te dijen (uit deze ontdekking is de oerknal-idee nu juist ontstaan). Maar als het heelal is ontstaan door een spontaan uitdijen van een singulariteit, moet de snelheid van dat uitdijen in de loop der tijd steeds verder afnemen. Maar onlangs heeft een evolutionist gemerkt dat de snelheid juist toeneemt! Maar uiteraard concludeert hij nu niet het idee van spontaan uitdijen niet klopt. Hij heeft bedacht dat de versnelling veroorzaakt wordt door iets wat hij 'donkere energie' heeft genoemd. Het heet 'donker', zo zegt de wetenschapper zelf, omdat niemand 't ooit heeft waargenomen. Kortom, het hele idee van een spontane uitdijing is wetenschappelijk gezien op zijn minst bijzonder twijfelachtig te noemen.

Donkere Materie

We moeten donkere energie overigens niet verwarren met 'donkere materie'. Donkere materie kan heel goed bestaan, bijvoorbeeld in de vorm van uitgedoofde sterren of ander materiaal dat geen straling uitzendt en daarom niet direct voor ons zichtbaar is. Het kan de baan van bepaalde sterren en sterrenstelsels verklaren. Donkere materie wordt ook gebruikt om te proberen bepaalde inconsistenties in de oerknaltheorie op te lossen, maar dat betekent nog niet dat creationisten het bestaan ervan (moeten) ontkennen.

Roodverschuiving

Maar hoe is men eigenlijk op de gedachte gekomen dat het hele heelal door een oerknal is ontstaan? Zoals gezegd heeft men ontdekt dat het heelal uitdijt. En dat heeft men weer ontdekt door de 'roodverschuiving' in het licht van de sterren. Wanneer een ambulance voorbij komt, klinkt de sirene eerst hoog en als de wagen voorbij is, klinkt de sirene laag. Dit verschijnsel wordt door natuurkundigen het 'dopplereffect' genoemd. Als een geluidsbron naar ons toe komt, klink het geluid hoger dan wanneer het stil zou staan. En als de bron van ons af beweegt, klinkt het geluid lager. Hetzelfde geldt ook voor lichtbronnen. Wanneer een lichtbron naar ons toe beweegt, lijkt het blauwer, en wanneer het van ons af beweegt, lijkt het roder. Dat laatste verschijnsel heet 'roodverschuiving'. Strikt genomen is een roodverschuiving niet hetzelfde als een 'dopplerverschuiving'. Bij dopplerverschuiving bewegen de objecten in een vaste ruimte. Bij een uitdijend heelal beweegt de ruimte zelf. De objecten erin bewegen dan mee. Deze beweging noemen we de 'Hubble flow'. Vergelijk het met twee plakkers op een ballon. Bij het opblazen van de ballon bewegen de plakkers zich van elkaar af. Er zijn sterrenstelsels die een blauwverschuiving laten zien. Dit is geen bewijs dat het heelal niet uitdijt. Door de zwaartekracht kan een stelsel naar een zwaarder stelsel of cluster worden toegetrokken. Door het dopplereffect (hier wel!) kan een blauwverschuiving ontstaan. Samen bewegen ze zich echter van alle andere objecten af in een uitdijend heelal. Omdat het heelal uitdijt, klinkt het logisch dat het ooit eens een oneindig klein punt, een singulariteit, is geweest.

Zelfs als dat zo mocht zijn, dan is dit nog geen reden om aan te nemen dat het heelal spontaan is ontstaan. Het is immers ook mogelijk dat God begonnen is met een singulariteit waaruit Hij alles heeft gemaakt. En dat Hij die materie gemaakt heeft uit energie. Het is dus niet zo dat (alle) creationisten het idee van een oerknal verwerpen. Wel verwerpen wij de gedachte dat dit idee verklaart hoe het heelal kan zijn ontstaan zonder tussenkomst van een schepper. Let wel: dat is niet hetzelfde als theïstische evolutie. Aanhangers hiervan geloven in een door God gestuurde evolutie. Zij zijn door wetenschappers overtuigd dat de evolutietheorie waar is en proberen nu krampachtig de Bijbel hiermee in overeenstemming te brengen. Dat dit onmogelijk (en onnodig) is, zullen we later nog wel zien.

Waar de media het zelden of nooit over heeft, is dat de roodverschuiving gekwantiseerd is. We zouden verwachten dat sterren met elke mogelijke snelheid van ons af kunnen bewegen. Hoe sneller de ster van ons af beweegt, hoe groter de roodverschuiving. We zouden dus ook alle hoeveelheden roodverschuiving moeten meten. Maar dat is niet zo. De mate van roodverschuiving blijkt zich in stapjes voor te doen, ofwel gekwantiseerd te zijn. Het snelheidsverschil tussen de sterren lijkt dus ook gekwantiseerd te zijn. Het is alsof we naar een snelweg kijken waar de auto's niet elke mogelijke snelheid kunnen hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld wel 90km/u, 100km/u en 110km/u rijden, maar niet 95km/u of 102km/u. Een wetenschappelijke verklaring van dit feit houdt in dat de lichtsnelheid vroeger tot wel 250 miljard keer zo hoog was dan nu. Dit kan dan tevens een verklaring zijn hoe we het licht kunnen zien van sterren die miljarden lichtjaren bij ons vandaan staan terwijl het universum slechts duizenden jaren oud is. We zullen hier later in het boek nog verder naar kijken.

Overigens is het nog maar de vraag of we een bepaalde roodverschuiving direct naar een snelheid en daarmee ook naar een afstand kunnen vertalen. Er zijn astronomische objecten, quasars genaamd, met een roodverschuiving groter dan 1. Dit zou betekenen dat ze sneller gaan dan de snelheid van het licht. Dat is natuurkundig gezien onmogelijk. Mogelijk hebben we te maken met een optische illusie. Een ander optie is dat de vertaling van roodverschuiving naar snelheid en afstand niet (altijd) klopt.

Zoveel problemen

In de uitgave van 22 mei 2004 heeft het blad "New Scientist" een artikel gepubliceerd waarin staat dat de oerknaltheorie zoveel problemen kent dat er naar alternatieven moet worden gezocht. Inmiddels hebben ruim 400 wetenschappers deze verklaring ondertekend.